Verslag Congres Plekken van hoop en verandering

DSC_0642Steden en wijken staan ook de komende jaren voor belangrijke opgaven. Dat is niets nieuws. Wel de manier waarop deze complexe vraagstukken worden opgepakt: niet door één of twee partijen van bovenaf, maar door van onderop de krachten te bundelen in samenwerkingsverbanden om zo het verschil te maken. Partijen die gezamenlijk aan iets ‘nieuws’ bouwen ondanks hun verschillende achtergronden, belangen, denk- en werkwijzen. Daarmee zijn het plekken van hoop en verandering.

Op steeds meer plekken in Nederland pakken burgers, ondernemers, maatschappelijke instellingen en/of de gemeente belangrijke vraagstukken op. Partijen en personen gaan met elkaar aan de slag omdat zij een kans zien of een urgente kwestie willen oppakken. In plaats van dat één dominante actor het voor het zeggen heeft, gaat het hier om een netwerk van diverse partijen die werken aan creatieve oplossingen voor maatschappelijke vraagstukken. Die nieuwe samenwerkingsverbanden en de verschuivende rollen en (machts)verhoudingen tussen partijen stonden centraal tijdens een drukbezocht congres van Platform Stad en Wijk op de Haagse Hogeschool. Het congres werd georganiseerd in samenwerking met Platform STAD, Platform STAD en de VNG.

Geen apathie, maar energie
Tijdens het congres werd het boek ‘Plekken van hoop en verandering’ gepresenteerd. In dit boek geven diverse (docent)onderzoekers van hogescholen inzicht in deze nieuwe lokale samenwerkingsverbanden. “Plekken met volop energie en enthousiasme om de buurt, wijk of stad een stukje mooier of beter te maken”, aldus Vincent Smit, dagvoorzitter en lector Grootstedelijke Ontwikkeling (Haagse Hogeschool). Hoe je dit samenspel tussen verschillende partijen met verschillende posities vorm moet geven, wordt nu uitgeprobeerd en ontdekt. Reden voor het Platform Stad en Wijk, een samenwerkingsverband van lectoraten rondom maatschappelijke vraagstukken, dit te onderzoeken en te leren uit de praktijk van het heden en het verleden.DSC_0648 bijgewerkt

Nieuwe denken en doen
Guido Walraven, lector Dynamiek van de Stad (Hogeschool Inholland) gaf meer inzicht in de aanleiding en de opzet van het boek en besprak enkele conclusies en perspectieven. Voor het aanpakken van taaie en complexe maatschappelijke kwesties voldoet het oude denken niet meer: de oude economie, de oude verzuilde gemeenschappen en de oude sturing waarin overheid en/of de markt het volledig voor het zeggen had. Het nieuwe denken én doen bestaat uit experimentele, innovatieve en gelijkwaardige samenwerkingen tussen diverse partijen met verschillende belangen. Meer dan in het verleden is er daarbij aandacht voor de leefwereld en voor waarde-creatie.

DSC_0650In het boek komen tien praktijkvoorbeelden uit onder andere Amsterdam (Buurtvoorziening De Evenaar), Arnhem (De Blauwe Wijkeconomie), Rotterdam (De Voedseltuin en Zorgvrijstaat) en Utrecht (Wijkacademies Opvoeden) aan de orde. Dat is niet alleen een hosanna-verhaal. Veel initiatieven groeien met horten en stoten. Het is vaak een kwestie van uitproberen, experimenteren en vooral doen. Wat vervolgens vaak gepaard gaat met groeipijnen, identiteitsvraagstukken en rolspanningen. Niettemin krijgen deze samenwerkingsverbanden wel dingen voor elkaar die anders blijven liggen.

Voor het realiseren van ‘plekken van hoop en verandering’ komt Walraven tot vier toekomstperspectieven:

  1. Next economy: het verder zoeken naar alternatieven voor het dominante marktdenken. Daarbij biedt het denkbeeld van de ‘donut economie’ een vruchtbaar kader.
  2. Next community: het verder ontwikkelen van gemeenschappen waarin samenwerkingsverbanden alternatieve aanpakken ontwikkelen voor de maatschappelijke opgaven. Daarbij vormt het concept van crafting communities van Willem Trommel een goed kompas.
  3. Next governance. Het verder zoeken naar vormen van sturing die ruimte bieden aan de inbreng van alle stakeholders en naar een speelveld waarin samenwerkingsverbanden gedijen. Daarbij is de idee van een ‘tussenruimte’ behulpzaam.
  4. Next city. Het verder werken aan de stedelijke context waarin de samenwerkingsverbanden floreren. Daarbij bieden visies op een rechtvaardige stad inspiratie (Think global, Act local and Start now).

Crafting communities
DSC_0658Willem Trommel, hoogleraar Bestuur en beleid aan de Vrije Universiteit Amsterdam en auteur van het boek Veerkrachtig Bestuur reflecteerde op de bevindingen uit het boek. Ook hij is van mening dat we publieke middelen en gedeelde hulpbronnen (ook wel aangeduid als commons) moeten ontsluiten om deze vervolgens gezamenlijk te (ver)delen, gebruiken en te beheren. De vraag is alleen waar dit ‘nieuwe denken’ ons naar toe brengt. Daarbij zijn er ook een aantal niet wenselijke toekomstperspectieven denkbaar. Zo moet het niet leiden tot “bangelijk lokalisme” of een “populistische kramp” die uitsluiting en sociaal isolement in de hand werken. Ook moet we wijken voor de “neoliberale drift” en de “participatiedwangbuis” van bestuurders en het “snoeiharde verdienmodel” van marktpartijen.

We moeten in zijn optiek juist streven naar crafting communities: gemeenschappen van burgers, professionele dienstverleners, ondernemers, managers en politici, die gezamenlijk lokale sociale problemen willen oplossen. Trommel benoemde enkele cruciale condities die nodig zijn om deze te kunnen realiseren: een geest van rebellie, waarde-creatie, rizoom denken, tolerantie voor fouten, geen blauwdruk denken (“langzaam tikken, zoals een beeldhouwer”) en politiek-bestuurlijke inbedding.

Samenwerken in de nieuwe generatie buurthuizen
Vervolgens verspreidde de 125 deelnemers zich over vier workshops. In een workshop onder leiding van Ali Karataș – projectleider bij Platform31 – werden gedachten uitgewisseld over de buurthuizen van de toekomst. Bij het beheren en programmeren van plekken in de buurt voor ontmoeting, interactie en hulpvragen, is een steeds grotere rol weggelegd voor bewoners. Daarvoor zijn verschillende samenwerkingsvormen denkbaar, zoals het Right to challenge, waarbij initiatiefnemers de gemeente uitdagen om een zelfgekozen publieke taak over te nemen. Op deze manier hebben al in zo’n 75 gemeenten gemeenschappen het beheer, onderhoud en exploitatie van vastgoed overgenomen. Een andere manier is het Right to bid, waarbij een gemeenschap maatschappelijk vastgoed koopt of overneemt. Dit laatste is nog relatief nieuw in Nederland en op dit moment is er een tweejarig kennis- en leertraject van de VNG en het ministerie van BZK dat experimenteerruimte biedt aan gemeenten en burgerinitiatieven. Er zijn wel al ervaringen mee in Engeland, zoals Bramley Baths (Leeds) en The Ivy house (Londen). In Engeland staat het Right to bid in de wet, in Nederland staat in het huidige regeerakkoord vermeld dat er met enkele gemeenten geëxperimenteerd gaat worden met ‘een recht op overname’. Karataș ziet verschillende voordelen. Als bewoners maatschappelijke voorzieningen in handen krijgen, kan dit gepaard gaan met een gevoel van trots, dat belangrijk is voor de (lokale) identiteit. Ook wordt zo het eigenaarschap en ondernemerschap onder bewoners gestimuleerd. Daarnaast kunnen zo – ondanks bezuinigingen – maatschappelijke functies en ontmoetingsplekken worden voortgezet. Aan de andere kant blijft de vraag hoe, bij toename van zelforganisatie onder bewoners, de continuïteit en financiering van maatschappelijke activiteiten en de deelname van kwetsbare groepen (inclusiviteit) in de samenleving gewaarborgd kan blijven.

In de Evenaar – een huis van de wijk in Amsterdam Noord – is gekozen voor een ander model. Hier organiseren zowel buurtbewoners als professionals van diverse organisaties een groot aantal activiteiten. Iedereen loopt elkaar daardoor spontaan tegen het lijf. De Evenaar is een knooppunt waarbij de verschillende professionals en actieve bewoners een grote variatie aan elkaar versterkende denk- en werkwijzen met zich meebrengen. Er is daardoor een nauw vervlochten netwerk ontstaan met een natuurlijk overgangsgebied tussen de formele (bv. een inburgeringscursus) en informele (bv. biljarten, line dance) activiteiten. Mike de Kreek – onderzoeker bij het lectoraat Culturele en Sociale Dynamiek (Hogeschool van Amsterdam) – noemt deze mix aan activiteiten en aanbieders een ‘geïntegreerde praktijk’ waarin al samenwerkend wordt geleerd en plannen worden gemaakt. Interessant aan dit voorbeeld is dat er hier onder burgers en/of professionals helemaal geen urgentie bestaat om deze plek ‘over te nemen’ a la Right to challenge, omdat de mix volgens alle betrokkenen goed werkt.DSC_0670.JPG

Samenwerken aan de leefomgeving
In een andere workshop gingen deelnemers onder leiding van Jooske Baris – directeur Platform STAD – in gesprek over hoe bewoners, overheden en marktpartijen kunnen samenwerken in en aan de gebouwde omgeving.

Zo zijn bewoners in het Haagse Statenkwartier een coöperatie gestart waarbij zonnepanelen op het dak van het Museon energie opwekken voor de buurt. Andere buurtbewoners kunnen zich bij hen inschrijven om panelen te kopen. Initiatiefnemer Martin Lenferink gaf aan dat zij geluk hadden met het netwerk waar de leden over beschikten. Het meeste werk was het vinden van een dak om de panelen op te leggen. De realisatie ging vervolgens vrij vlot, net als het werven van leden. Lenferink: “Er is dan iets tastbaars te verkopen, dat geeft vertrouwen.”  Lenferink realiseert zich dat niet alle stadsbewoners beschikken over een netwerk of voldoende vermogen om een zonnepaneel aan te schaffen. Hij pleit daarom ook voor andersoortige oplossingen in minder vermogende wijken, bijvoorbeeld door de kennis en vrije tijd vanuit meer vermogende buurten hierbij in te zetten.

Elders in Den Haag kunnen straatbewoners gezamenlijk een mobiele fietsvlonder met fietsnietjes aanvragen bij de gemeente, die dan geplaatst wordt op een autoparkeerplaats. Wanneer er geen bezwaar is van omwonenden, wordt de vlonder na drie maanden vervangen door permanente fietsparkeerplekken. Er zijn er nu vier geplaatst. Dat levert veel discussie op, aldus Diede Labots, de verantwoordelijke ambtenaar bij de gemeente Den Haag. Het opgeven van parkeergelegenheid voor auto’s blijkt steeds een gevoelig onderwerp te zijn. Daarnaast is er discussie over de locatie van de fietsvlonder in een straat en over het benodigde draagvlak. Neem je als gemeente het initiatief (‘top-down’) of wacht je op bewoners die zich aanmelden (‘bottom-up’)? En moet de hele straat met een dergelijke wijziging van de openbare ruimte instemmen? De gemeente kan hierbij dus zowel een regisserende als faciliterende rol spelen. Voor een gemeentelijke beleidsafdeling lijkt het begeleiden van een initiatief vaak iets makkelijker dan voor een uitvoerende dienst die meer gebonden is aan wet- en regelgeving. Ook bij een gemeente is dus intern afstemming en draagvlak nodig voordat een dergelijk project succesvol kan worden. De initiatiefneemster in de Haagse Marcelisstraat, Marjan van Haaren, gaf aan dat zij nu vooral het aanspreekpunt was voor klachten en opmerkingen van haar eigen buren. Graag had zij iemand vanuit de gemeente gehad die met lef en daadkracht deze rol op zich had genomen. Daarnaast had zij behoefte aan iemand die een integrale kijk heeft binnen de gemeente. Iemand die “van iedere afdeling wat weet”. DSC_0674

Samenwerken in het zorgdomein
Hoe creëer je een veerkrachtige en zorgzame wijk voor en door bewoners? Die vraag stond centraal in een workshop onder leiding van Guido Walraven, lector Dynamiek van de Stad (hogeschool Inholland). Daarbij werden twee voorbeelden gepresenteerd. In Rotterdam West hebben bewoners samen met professionals een laagdrempelig netwerk opgebouwd waardoor hulpvragen eerder en beter worden beantwoord. In deze zogenaamde ‘Zorgvrijstaat’ benut men de overwaarde in de wijk, zoekt men naar collectieve oplossingen en denkt men in netwerken. Michael Milo, initiatiefnemer van Zorgvrijstaat, beveelt vooral klein te beginnen door eerst te werken aan relaties en verbindingen tussen ‘vragers’ en ‘aanbieders’. Vaak is er al veel voor handen. Daarnaast is het van belang om te streven naar een integrale aanpak die dwars door bestaande zorg- en welzijnsdomeinen heen loopt. Dit onder andere met behulp van digitale hulpmiddelen (zie dit filmpje over de eCommunity).

Een soortgelijke zoektocht vinden we in de wijk Stevenshof in Leiden. Hier draait een pilot waarin bewoners en wijkorganisaties elkaar ontmoeten, ideeën ontwikkelen en samenwerken aan éénzelfde doel: een gezonde wijk. Gemeente, bewoners en maatschappelijke organisaties uit het medische en sociale domein proberen op basis van een gedeelde ambitie elkaars kwaliteiten te leren kennen en zo logische verbindingen te maken. Ook hier pleit men voor een andere manier van werken waardoor professionals nog beter zijn aangesloten op de vragen en behoeften van bewoners. Door middel van inspiratiesessies wordt gezamenlijk nagedacht over thema’s als ‘Gezond eten en bewegen’, ‘Sociale contacten en vriendschap’ en ‘Gezond opgroeien’. Wat daarbij vooral werkt – aldus Karin Fahner, projectleider Stevenshof Vitaal bij de gemeente Leiden – is om aan de hand van gestructureerde gesprekken (met eten!) inzichten aan elkaar voor te leggen. Daardoor kan bij zowel professionals als bewoners eventueel wantrouwen omslaan in vertrouwen. Dat kost echter wel tijd. Ido de Vries, onderzoeker bij het lectoraat Sociale innovatie en ondernemerschap (Hogeschool Leiden) spreekt dan ook liever van een proces van hoop en verandering.DSC_0691

Van lief project naar bestaand beleid
Guido Walraven gaf al in zijn presentatie aan dat veel initiatieven met horten en stoten groeien. Veel (bewoners)initiatieven ontstaan buiten de reguliere beleidskolom om en hebben bij aanvang de charme van een eiland. Veel van die opwindende initiatieven (spontaan, ad-hoc, onvoorspelbaar) evolueren en zoeken vervolgens naar een duurzaam model en een plek in het grotere geheel. In een workshop onder leiding van Vincent Smit, lector Grootstedelijke Ontwikkeling (Haagse Hogeschool) werd dieper op deze zoektocht ingegaan.
Jaswina Bihari-Elahi, onderzoeker aan hetzelfde lectoraat vertelde over hoe de gebruikers van De Ketel, een oud schoolgebouw in het Haagse Laakkwartier, zich na verloop van tijd moesten gaan verantwoorden richting gemeentelijke kaders. In een ingewikkeld proces leerden ze om hetgeen lokaal waardevol is te verwoorden in termen die er bestuurlijk toe doen.
In Meppel staat men bij het project De Geweldige Wijk voor dezelfde opgave. Om iets aan de armoede(stress) te doen is door een aantal partijen een app ontwikkeld waarin kwetsbare huishoudens hulpvragen kunnen stellen aan stadsgenoten die hun tijd, spullen of talenten willen delen. Na de succesvolle, gesponseerde startfase is het nu de vraag hoe deze pilot is om te vormen tot regulier beleid. Joop van Dam, initiatiefnemer en lector De Gezonde Stad (hogeschool Windesheim) concludeerde dan ook dat het van belang is om bij dit soort trajecten in een zo vroeg mogelijk stadium na te denken over de borging van een initiatief na een gesubsidieerde opstartfase. Het creëren van voldoende eigenaarschap en ‘goodwill’ bij alle lokale partijen lijken daarbij doorslaggevend te zijn.DSC_0677

Meer informatie
Cover Boek Plekken van hoop en verandering + redactie - Platform Stad en WijkMeer inspiratie opdoen? Lees dan het boek ‘Plekken van hoop en verandering’ met tien casestudies, vijf interviews en enkele handzame denk- en werkmodellen. Het boek is te downloaden op onze website en te bestellen bij uitgeverij Eburon. Het boek is mede tot stand gekomen door een financiële bijdrage van Regieorgaan SIA en het Ministerie van BZK.

Gerben Helleman, Stan Majoor, Vincent Smit, Guido Walraven (red.) (2019) Plekken van hoop en verandering; samenwerkingsverbanden die lokaal verschil maken. Utrecht: Academische Uitgeverij Eburon/Platform Stad en Wijk. ISBN 978-94-6301-251-5.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s